De drie basisordeningen (SW)

Er gelden drie basale ordeningen binnen het systemisch werk.

1. Er is een plek voor ieder, met recht en plicht die plek in te nemen
De wet betreft het onvoorwaardelijke recht op een plek in het familiesysteem en tegelijk betreft het een plicht om die plek in te nemen. Iemand die er niet is maar die er wél bij hoort wordt gemist. Dat gemis leidt ertoe dat er onbalans ontstaat in het familiesysteem. Die onbalans leidt tot dynamiek in het systeem om het gemis te compenseren. Omwille van de rust in het systeem wijst deze wet erop dat er sprake is van zowel recht als plicht om erbij te horen.

2. Er is balans in geven en nemen
In deze wet wordt onderscheid gemaakt in verticale en horizontale relaties. Van verticale relaties is sprake bij hiërarchische ongelijkheid, bijvoorbeeld tussen ouder en kind, of tussen leidinggevende en medewerker, of tussen leerkracht en leerling. Van horizontale relaties is sprake bij hiërarchische gelijkheid, zoals tussen broers en zussen, tussen collega’s in een team, of tussen vrienden.

Binnen verticale relaties geldt de wet dat de grote (de ouder, de leidinggevende) geeft en de kleine (het kind, de medewerker) neemt. Gelijkwaardigheid is het uitgangspunt voor deze hiërarchische ongelijkheid. Binnen horizontale relaties geldt dat geven en nemen met elkaar in balans gehouden moeten worden. Wanneer die balans wordt verstoord onstaat een dynamiek van macht en onmacht en een dynamiek van schuld en onschuld.

3. Er zijn ordeningen, zoals die in leven en dood, in historie en toekomst, in man en vrouw, in ouder en kind (grote en kleine) en in volgorde
Deze derde basiswet wijst op ongelijkheid vanuit genoemde basale ordeningen die in het leven bestaan. Er is aan deze ordeningen geen oordeel of maatstaf gekoppeld. De wet stelt dat er sprake is van ongelijkheid in het leven. Bijvoorbeeld de grote is niet belangrijker dan de kleine, de eerste is niet belangrijker dan de tweede (de volgende). Daarmee appelleert deze wet aan de sociale orde.

Terug naar overzicht